Vroeger had een kazerne voor het gevechtstenue en het dagelijkse tenue een foerier, belast met uitgifte en inname. Voor ceremoniële tenues en bijzondere aanpassingen waren daarnaast de nodige particuliere uniformkleermakers actief. Een pak van beroepsmilitairen moest er extra netjes uitzien, mede omdat men tot in de jaren zestig op zondagen vaak in uniform naar de kerk ging.
meestal bij de kazerne
Decennia lang had Amersfoort meerdere van dit soort bedrijven, vaak dichtbij een kazerne, deels in een soort winkelpand. Rond de Juliana van Stolbergkazerne waren er maar liefst drie, waarvan Maison Jordi & Cie de grootste was met ettelijke personeelsleden. Voor ceremoniële tenues was dit bedrijf ook in trek bij militairen van ver buiten de stad. In de etalage was vaak een prachtig gala-uniform te bewonderen dat op aflevering wachtte.
In de buurt van de Prins Willem III Kazerne aan de Heiligenbergerweg was er ook een gevestigd. Op andere plekken waren de gebroeders Hassing actief, met onafhankelijk van elkaar opererende bedrijven.

van uniformen naar petten
In 1894 opende Anthonius Hassing in Purmerend een fabriek voor uniformen en uniformpetten, waarin ook zoons van hem werkten. Omdat Amersfoort rond 1900 het grootste garnizoen van Nederland had, kwamen drie ervan onze kant op. Zoon Julius Anthonius had het meeste succes en ging vanuit Amersfoort petten maken voor een steeds bredere markt. Op zijn beurt nam zijn jongste zoon Antoon Frans als derde generatie het groeiende bedrijf over. Na diens overlijden in 1974 werd een medewerker eigenaar van de zaak. Hij zorgde voor verdere uitbouw met zelfs productiefaciliteiten elders. Zoals in Tunesië voor het massawerk (baretten voor de krijgsmacht en halffabricaten voor complexere hoofddeksels). Klanten waren inmiddels niet meer alleen het leger, maar ook politie, brandweer, muziekkorpsen, enzovoort. In Amersfoort groeide de onderneming uiteindelijk uit zijn jasje en in 2007 vertrok men naar Nijkerk. In Nederland is Hassing de enig overgebleven pettenfabriek en momenteel ook actief in landen als België, Duitsland en Frankrijk.

Textiel in plaats van paarden
Rond de Beestenmarkt stonden tot aan de Tweede Wereldoorlog een manege en enorme stallen. Ze waren voor de bereden wapens. Op het hoogtepunt waren daar maar liefst 1200 paarden! Na de bevrijding in 1945 kwam het complex beschikbaar voor andere zaken. In 1951 verhuisde het centrale Depot Kleding en Uitrusting (DKU) van de luchtmacht vanuit de toenmalige vliegbasis Ypenburg bij Den Haag naar die plek in Amersfoort.
Later werd dit DKU onderdeel van het DATIM (Depot Algemeen Technisch en Intendance Materieel) en kreeg ook de vestiging aan de Beestenmarkt die naam. De missie bleef daar vooral uitgifte en inname van kleding en uitrusting, maar het woord depot was enigszins misleidend omdat er meer activiteiten waren. Zo was er de kleermakerij voor de hele luchtmacht met toen forse aantallen mannelijke kleermakers die veelal beige stofjassen droegen. Ook werden er grote tenten onderhouden en gerepareerd. Tijdens de watersnoodramp van 1953 werden de hallen bijna volledig leeggehaald en gingen militaire dekens, keukenmateriaal en tenten vanuit Amersfoort naar Zeeland. In 1974 is het depot verplaatst naar het inmiddels ook verdwenen Jesserunkamp te Soestduinen en kon de gemeente het gebied herontwikkelen. Daarmee verdween het grootste textielbedrijf dat de stad ooit had. Thans is er een krijgsmachtbreed KPU-bedrijf met de hoofdvestiging in Soesterberg, waar de afkorting KPU staat voor kleding en persoonsgebonden uitrusting.

Emblemen verhaal apart
Militaire distinctieven zijn er onder meer voor functionele herkenbaarheid en het bevorderen van saamhorigheid. Ze blijken voor een groot deel van stof dus textiel. Vooral op het gevechtstenue, dat tevens als standaard werkkleding fungeert. Blinkende metalen exemplaren verdragen zich dan slecht met het gebruik ervan.
Veel emblemen werden vroeger in de kazernes verstrekt door de eerder genoemd foerier. Bij verlies of beschadiging waren ze ook te koop in zogenoemde ‘shops’. De Koninklijke Luchtmacht had zo’n verkooppunt in het Beestenmarkt complex.
Tegenwoordig gaat veel bij het KPU via postorders. Het bestellen is in ons land uiterst streng gereglementeerd met aankooprecht op basis van functie. Bij wijze van spreken kan een generaal niet eens een embleem van een onderofficier aanschaffen. Jammer voor verzamelaars!
Dit artikel is geschreven door Jan Carel van Dijk.

Textiel speelde vroeger een belangrijke economische rol in Amersfoort. De stad ademde wol, weverijen en handel. Lees meer verhalen over het textielverleden van Amersfoort en de toekomstige textielmakers!